Als tussenstop op de heenweg van onze koorreis lunchten we in Bad Iburg. Dat dorp is een kuuroord, maar daar hebben wij niks van gezien, want wij bezochten het Schloss Iburg.


Na de lunch beklommen we de heuvel.





Op de binnenplaats werden we opgewacht door onze gidsen. De groep werd in tweeën gesplitst, de helft kreeg een Nederlandse rondleiding, of wat daar voor door moest gaan. Aan de klederdracht van de gids heeft het niet gelegen. De andere helft kreeg een Engelstalige rondleiding.






Het was een Kasteel, vroeger deels voor de adel, maar het was ook een Benedictijnerabdij. Het gebouw staat op een heuveltop ongeveer 14 km ten zuiden van het centrum van de stad Osnabrück. Het is tegenwoordig eigendom van de deelstaat Nedersaksen. Rond 1080 was op deze plek al een zogenaamd mottekasteel. De bisschoppen Benno I en Benno II waren bewoners en Benno II is de bouwer van een later complex, dat ook weer door brand is verwoest. Nog steeds wordt de grote toren Benno-toren genoemd.


We dwaalden door de prachtige zalen met als hoogtepunt de Ridderzaal. Het plafond is wel een blikvanger. De rijkelijk gedecoreerde zaal (17e eeuw) is een prachtig voorbeeld van de perspectivisch geschilderde schijnarchitectuur. Dit exemplaar is nog het laatst overgebleven ten noorden van de Alpen. In Slot Iburg hangen veel schilderijen van vroegere bewoners,





maar eentje die eruit springt is Sophie Charlotte. Zij werd hier in 1668 geboren en later was zij de eerste koningin van Pruisen en grootmoeder van Frederik de Grote.



Bij het complex horen een paar kerken









en een kerker.



Als rechtgeaard koor voerden we tijdens ons bezoek aan het kasteel twee keer een flashmop uit. Eén keer binnen en de andere keer als afsluiting onder een poortgebouw met mooie accoestiek.




Daarna vervolgden we de reis.