De film kreeg goede recensies, staande ovatie bij een filmfestival, dus zat ik op zaterdagochtend met vriendin C in de bioscoop. Uiteindelijk zaten maar vier personen in de zaal. Dat had ik toch niet verwacht voor een nieuwe film met positieve beoordeling. Het was misschien nog wel te vroeg. Op zaterdag moet iedereen uitslapen of boodschappen doen, stel ik me zo voor.
Wij werden meteen ondergedompeld in oorlogsgeweld. De film speelde in de eerste wereldoorlog, wat een loopgravenoorlog was. Het moest denk ik de Hel van het Noorden in Belgie voorstellen, want we zagen loopgraven en het gevechtsterrein bestond uit overwegend modder. We volgden het soldatenleven van een mooi, maar schuchtere jongen, Pierre, die van het platteland komt en veel te verstouwen krijgt gedurende zijn oorlogsbestaan. Hij verliest veel kameraden, ziet vrienden doordraaien en voor hemzelf wordt het ook al moeilijker om overeind te blijven.

Lichtpuntjes voor hem zijn de groep van afgekeurde soldaten, die in staat zijn om musicals op te voeren om de moraal hoog te houden voor de soldaten. Zo kunnen ze even ontsnappen aan alle oorlogsgeweld. Hij leert daar een jongen Francis, kennen, waarop hij verliefd wordt. Ze smeden een plan om te ontsnappen. De hoofdpersoon Pierre wordt gezien als de slappeling of de lafaard, maar of dat aan het eind van de film nog zo is, valt te bezien. Er worden een paar keer soldatenliederen gezongen door de mannen. Ik vond dat mooi, hoewel het misschien te mooi klonk voor een oorlogssituatie.

Samenvattend een mooie, aangrijpende film, die wat mij betreft toch wel iets korter had mogen duren.